Op de studiemiddagdag “Kerk op een bevende aarde” van 13 mei 2014 hield Trinus Hoekstra, projectmanager Binnenland bij Kerk in Actie van de Protestantse Kerk een inleiding waarbij hij de Groningse problemen vergeleek met de mondiale problematiek rond grondstoffenwinning. Hieronder staat de tekst van zijn referaat.

Wereldwijde spanningen op postzegelformaat

Door Trinus Hoekstra

Ik wil u uitnodigen om de casus Noordoost-­Groningen te bekijken vanuit een wereldwijd perspectief en vervolgens vandaaruit ook weer terug te kijken. Ik wil u derhalve uitnodigen om een aantal perspectiefwisselingen mee te maken en te kijken wat dat oplevert.

Spanningen rond grondstoffen

Wereldwijd lopen de spanningen rond de grondstoffen waarop economieën draaien en welvaart is gebaseerd hoog op. Met name grondstoffen voor energie zijn gewild. De grootscheepse en wereldwijd op gang gekomen economische groei van de afgelopen twee eeuwen zijn ook mogelijkgemaakt door het in relatief korte tijd hoog ontwikkelde menselijke vermogen om de energie uit fossiele grondstoffen te benutten. Fossiele brandstoffen zijn evenwel eindig, zeker de gemakkelijk winbare. Er zijn nog wel fossiele brandstoffen aanwezig in teerzanden als olie en in gesteenten als schaliegas, maar bij de winning daarvan lopen met name in Europa de kosten en de risico’s op.

Alternatieve bronnen als wind­- en zonne­-energie geven op zich wel een snelle groei te zien, maar nemen tot dusver slechts een minuscuul deel van het mondiale energieaanbod voor hun rekening. Volgens deskundigen is de periode van gemakkelijk beschikbare fossiele brandstoffen te weinig benut om te werken aan de overschakeling naar meer duurzame vormen van energie. Ondanks een momenteel overaanbod levert dit op termijn een situatie op waarin gerekend moet worden met een beperktere beschikbaarheid van grondstoffen voor energie, met oplopende prijzen en toenemende geopolitieke spanningen tussen landen en machtsblokken van landen. Denk aan de huidige spanningen met betrekking tot Oekraïne en de beschikbaarheid van Russisch aardgas die daarbij onder druk komt te staan. In dat perspectief wordt de resterende gasvoorraad in het Groningse gasveld, ooit het grootste van Europa, van groot belang.

Geen windeieren

De gasbel onder Groningen heeft Nederland sowieso geen windeieren gelegd. Vanaf de jaren ’50 tot nu toe wordt de opbrengst voor de Staat op zo’n 250 miljard euro geschat. Volgens deskundigen heeft het Nederland echter wel lui gemaakt in het zoeken naar duurzame energiebronnen en de exploitatie daarvan. De gasbel onder Groningen heeft een tijd lang een hoog ‘tafeltje dek je en ezeltje strek je’­ gehalte gehad voor de Nederlandse economie. In het begin van deze eeuw schoot met de snel stijgende olieprijzen ook de prijs van aardgas omhoog. De staat, aandeelhouder in de exploitatie, zag de aardgasbaten fors groeien. Nederland gebruikte die opbrengsten deels om een fonds te voeden voor economische versterking. Dat fonds was merkwaardig genoeg geen kapitaalfonds, waarin de aardgasbaten zouden kunnen renderen en
gebruikt wanneer nuttig en nodig. Wat binnenkwam werd in hetzelfde jaar uitgegeven. Miljoenen zijn vandaaruit geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling ten bate van de Nederlandse economie. Met de bodem van de aardgasvoorraad in zicht is het fonds de afgelopen jaren opgedoekt. Wat er nog binnenkomt aan aardgasbaten, vloeit nu de schatkist in. En ook dat bleek het afgelopen jaar allesbehalve een peulenschil. Ondanks het advies begin 2013 van het Staatstoezicht op de Mijnen om per direct fors minder gas op te pompen vanwege een verhoogde kans op aardbevingen, bleek in december dat in de loop van 2013 de gaswinning in plaats van teruggedraaid tot recordhoogte is opgevoerd. Die recordhoogte van de gaswinning leidde tot een ongekende piek in de opbrengst van 15 miljard euro, in plaats van de gebruikelijke 12 miljard. In een tijd van economische crisis bleek dat eind maart 2014 een goede zaak voor de schatkist te zijn. Het overheidstekort over 2013 bleek toen, mede door de aardgasbaten, van 2,9% teruggelopen te zijn tot 2,5%. Maar tot welke prijs? Geen wonder dat de mensen in Groningen zich geschoffeerd voelen.

Schuddemaweer

We wisselen even van perspectief. Het is november 2013. Ik kijk met m’n zoontje naar het Sinterklaasjournaal. In het dorpje Schuddemaweer blijkt de staf van Sinterklaas in een schoorsteen verstopt te zitten. Op z’n brommer probeert de zwijgzame en ietwat wereldvreemde bewoner de staf bij de Sint te bezorgen, maar de staf blijft ongemerkt in een boom haken. Schuddemaweer en een onhandige poging om de staf bij de Sint te bezorgen.

Naar mijn idee zegt dit beeld iets over hoe we vanuit de rest van Nederland naar Groningen kijken. Een beetje meewarig. De gasbel is Nederlands bezit, van belang voor onze nationale economie en welvaart, zeker in crisistijd. In overeenstemming met de beeldvorming door overheid en NAM minimaliseren we de effecten van de gaswinning zoveel als mogelijk en drukken we een oorzakelijk verband van de bevingen met de gaswinning zover mogelijk weg. Het gas is van een te groot belang voor onze economie en welvaart.

In januari 2014 nam de druk op de overheid evenwel zodanig toe dat maatregelen ten behoeve van de getroffen regio onontkoombaar bleken. Minister Kamp zegde voor de schaderegeling een bedrag van 1,2 miljard toe. Hij beloofde ook een productieplafond. Volgens het voorgenomen besluit van de minister gaat in de gemeente Loppersum de gaskraan voor 80% dicht. Wat buiten beeld dreigt te vallen, is dat de gasproductie in omliggende gebieden juist omhoog geschroefd wordt. Het Staatstoezicht op de Mijnen waarschuwt voor gevolgen. Pikant detail is dat het Staatstoezicht op de Mijnen onder het ministerie van Economische Zaken valt, dat weerhoudt het er echter niet van om scherpe kritiek te uiten op de gaswinning door de NAM in Groningen. Het hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen heeft met nadruk gewezen op de risico’s van extra
aardgaswinning in de rest van Noordoost­-Groningen. Volgens hem moet je de effecten daarvan laten doorrekenen door TNO om er zeker van te zijn dat het niet tot nare situaties leidt.

Verontrustende breuklijn

Nu maakt de regio Noordoost-­Groningen deel uit van een hoogontwikkeld land. De volksaard van de mensen uit het gebied wordt weliswaar gekenschetst als gedwee en teruggetrokken, maar het zijn burgers in en van een hoogontwikkeld land. Wat is er met ons land aan de hand, dat wij met de regio omgaan zoals we dat doen? Jarenlang is het verband tussen gaswinning en aardbevingen geminimaliseerd en nog steeds wordt er niet klip en klaar over gecommuni­ceerd. Het belang van het gas lijkt te groot voor onze nationale economie en welvaart. Dit belang heeft geleid tot eenwelhaast koloniale omgang met de regio. ‘Welhaast’, want het verhaal is met name het afgelopen anderhalf jaar steeds meer naar buiten gekomen. Het pro­test uit de regio wordt ook scherper. De Groninger Bodem Beweging heeft het voorgenomen besluit van de minister in strijd met mensenrechten en Europese milieuwetgeving genoemd. Met dat dit verhaal steeds meer en scherper naar buiten komt, groeit langzamerhand de onder­kenning dat niet alleen de Groningers leven op een breuklijn, maar dat wij in Nederland mét de Groningers op een breuklijn leven. Het besef van die breuklijn heeft raakvlakken met al die momenten waarop wij ons er van bewust worden dat de grondstoffen die wij van elders ten behoeve van onze economie en welvaart invoeren, elders een veel grotere prijs hebben in sociale en ecologische zin dan wij er bereid voor zijn te betalen. Onze economie draait op tal van grondstoffen die van op allerlei plekken ter wereld tot ons komen en ook op allerlei plekken ter wereld, bij wijze van spreken, hun eigen Noordoost-Groningen kennen. Evenwel de sociale en ecologische schade die gepaard gaat met de winning van grondstoffen elders ten behoeve van onze nationale economie en welvaart, onttrekt zich veelal aan onze blik. In die zin opent de casus Noordoost­-Groningen onze blik op de wereld en vormt ze
een verontrustende breuklijn in de beleving van onze welvaart.

Zo merkte René Grotenhuis van Cordaid in januari in Trouw op, dat het verhaal van noordoost-Groningen in de kern hetzelfde is als dat van de boeren in Colombia die van hun land gedreven worden om kolen te winnen die in onze centrales gestookt worden. Of het verhaal van onbruikbaar geworden landbouwgrond en oppervlaktewater in Ghana door de vervuiling met zware metalen door de winning van goud voor onze sieraden. Of het verhaal van de ontbossing in Kameroen om onze meubels van te produceren, waardoor de lokale bevolking van zijn bron van inkomsten wordt beroofd. Of het verhaal van de aardgaswinning in Rusland die vooral in Noord­west­-Siberië plaats vindt. Voor de Russische olie­ en gas­industrie zijn milieuoverwegingen volstrekt onbelangrijk en betaalt de oorspronkelijke nomadische bevolking in het gebied de zwaarste tol.

Het gaat in al deze verhalen om de vraag waar de lusten worden genoten en de lasten gedragen. Waar de winst wordt geïncasseerd, en waar de schade wordt achtergelaten. Verhalen die ons confronteren met het welvaartsbegrip waarin wij gewoon zijn om onze welvaart te denken en mee te meten: het bruto nationaal product als de sociaal en ecologisch gesteriliseerde optelsom van de financieel­-economische waarde van alle via de markt verhandelde goederen en diensten. In deze optelsom vallen sociale en ecologische waarden buiten het blikveld, we hebben er een kille term voor: externaliteiten. In die optiek is de schade in de regio Noordoost­-Groningen een externaliteit, een geval van collateral damage; een geval van bijkomstige schade ten opzichte van het hogere doel van onze nationale economie. Vanuit dat hogere doel moeten de woorden van minister Kamp begrepen worden, wanneer hij zegt dat het niet verantwoord is om de gaswinning in 2014 verder te verlagen dan 42,5 miljard kub. Bij een ‘verantwoorde’ gaswinning gaat het kennelijk niet om de
belangen van de bewoners van de regio.

Liberia

Te midden van Afrikaanse landen is wat de winning van grondstoffen en oog voor de belangen die ermee gemoeid zijn, Liberia een opvallende casus, wellicht ook ten aanzien van Noordoost-Groningen. Sinds 2005 heerst er vrede in Liberia en wordt er gewerkt aan een nieuwe grondwet. In die grondwet wordt ten aanzien van grondstoffen gesproken over een samenhang tussen wat zich boven de grond en onder de grond bevindt. Op basis daarvan wordt nagedacht over de rechten vaneen lokale bevolking in verband met de winning van een voor Liberia belangrijke grondstof alsijzererts. In de onderhandelingen met multinationals ligt de insteek nu dan ook bij het belang een lokale bevolking. Voorop staat dat de meeste winst niet wegvloeit naar machtige multinationals.Het gaat er om dat men probeert handen en voeten te geven aan wetgeving die het belang van delokale bevolking meer op het oog heeft.In Nederland valt de grondstof aardgas in de regio Noordoost­-Groningen toe aan het Rijk en staat in relatie tot het nationale belang. Vanuit de regio klinkt al vanaf het begin van de aardgaswinning de vraag wat het de regio zelf oplevert. Die vraag kan in verband worden gebracht met een oeroude notie en heeft ook wel iets te maken met wat er in Liberia op dit vlak speelt. Vroeger kenden wij het begrip ‘gemene gronden’. Dat waren gronden waarvan het beheer en gebruik toeviel aan een lokale gemeenschap. In Liberia heeft men daar ten aanzien van de actualiteit aan toegevoegd dat er een samenhang is tussen wat er boven de grond en onder de grond is. Het beheeren gebruik door een lokale bevolking kan zich daarmee rechtens ook uitstrekken tot grondstoffen en geeft hen een oorspronkelijke rechtspositie in verhouding tot mijnbouwmaatschappijen.

Bewijslast

Wat de wetgeving in Nederland betreft. Met de eerste Mijnwet van 1810, Nederland was toen ingelijfd bij het Franse Keizerrijk, wilde Napoleon vooral gelazer met claims voorkomen. Hij had kolen en staal nodig voor zijn oorlogsvoering. Schade die de ondergrondse mijnbouw bovengronds veroorzaakte moest vergoed worden. De wet legde de bewijslast bij de mijnbouwmaatschappij. Kon deze niet bewijzen dat de oorzaak van de schade niet bij haar lag, dan moest zij schadevergoeding betalen. Deze in de Franse tijd ingezette ruimhartigheid bleef lange tijd de wet kleuren. Bovengrondse schade ten gevolge van ondergrondse mijnbouw in Limburg werd lange tijd ruimhartig vergoed door de Staatsmijnen. Later ontstond er onduidelijkheid over de bewijslast en werd deze in de praktijk bij de gedupeerde gelegd. In 1996 heeft hoogleraar privaatrecht Van
Dunné nog grote onrust bij de NAM teweeggebracht door er op te wijzen dat deze praktijk niet in overeenstemming was met de Mijnwet. In de huidige Mijnbouwwet, ingevoerd in 2003, wordt de bewijslast bij de gedupeerde gelegd.

Gedupeerden in de regio Noordoost-­Groningen moeten bewijzen dat de schade die zij ondervinden veroorzaakt wordt door de gaswinning. Deze regel brengt met zich mee dat bewoners zich op het moment moeten ontwikkelen tot halve zo niet hele deskundigen om het bewijs te kunnen leveren dat de schade die zij ondervinden het gevolg is van de gaswinning. Sinds de beving van 16 augustus 2012, de krachtigste beving sinds de gaswinning in de provincie Groningen plaats vindt, vraagt burgemeester Roodenboog van Loppersum dan ook met klem om een ruimhartiger schadevergoeding door de NAM. Ook opeenvolgende ministers van Economische Zaken heeft Rodenboog hier op aangesproken. Het door de minister in het voorgenomen besluit toegezegdedrag van 1,2 miljard is evenwel in de ogen van de bewoners slechts een begin. Het lijkt wel veel geld, maar het gaat bijvoorbeeld ook naar de dijken.

Loutering

De mensen in de regio Noordoost­-Groningen leven op een breuklijn, met alle existentiële onzekerheid en angst die daarbij horen. Wanneer huis en haard geen veilige plek meer voor je zijn, geen geborgenheid meer bieden, waar moet je het dan zoeken? Die angst en onzekerheid worden groter, sterker en urgenter wanneer vanuit de rest van Nederland niet een signaal van onderkenningen erkenning van hun situatie klinkt.

Bij de uitvoering van The Passion dit jaar op de avond van Witte Donderdag in Groningen­ stad werd het in het intro van het passieverhaal treffend verwoord toen de volgende vraag gesteld werd: “Wat betekent dit verhaal voor een provincie waar een deel van de bewoners zich achtergesteld voelt door de politieke en economische agenda van Den Haag?” Wat is die politieke en economische agenda van Den Haag anders dan wat in feite ons als Nederlandse bevolking voor ogen staat voor de bevolking van de regio Noordoost-­Groningen. Vragen wij ten bate van het landsbelang van nationale welvaart stilzwijgend een offer van deze regio? In ieder geval heeft het iets van een loutering wanneer een dergelijke vraag klinkt en dat daarmee iets van de urgentie van de situatie in Noordoost­-Groningen via een publieke zender en zo voor het oog en oor van de natie wordt uitgesproken.

Nederland is een klein land, op wereldformaat een postzegel, maar een klein land met zeker in wereldwijd perspectief een hoge welvaart. De breuklijn die zich in het uiterste noordoosten van die postzegel aandient heeft te maken met wereldwijde spanningen rond de beschikbaar­heid van grondstoffen. De breuklijn in Noordoost-­Groningen staat zo in verbinding met talloze breuklijnen die door onze wereld lopen. Onze welvaart vraagt offers hier en wereldwijd, en confronteert ons in de casus Groningen met de vraag hoeveel breuklijnen wij ons kunnen en willen veroorloven